Korte verhalen

 

DE LEGE PLEK

De vrouw die mijn atelier binnenstapte vulde direct de ruimte. Niet dat ze groot of dik was, ze wás er gewoon ineens. Haar blik bleef hangen op het grote schilderij dat ik van Henk heb gemaakt.

'Kan ik iets voor u betekenen?' vroeg ik.
'Ja, ik wil een portret. Eigenlijk net als dat schilderij. Ik wil er helemaal op.'
'Dat is mijn man. Ik heb hem afgebeeld met zijn luit. Hebt u ook iets waar u mee wilt worden afgebeeld?'
'Nee. U bedoelt een hond of zo?'
'Een hond, of iets anders waar u aan gehecht bent.'
'Dat heb ik niet. Ik wil erop zonder. Ik heb een aantal familieschilderijen en die zijn ook gewoon van mijn grootmoeders, zonder hond.'
'Dat kan. Aan welke afmeting dacht u?'
'Dezelfde als dat van uw man.'
'Dat is 120 bij 90.'
'Goed, wat moet ik doen?'
'Om een mooi schilderij te maken moet ik u een klein beetje kennen.'
'Is dat nodig?'
'Voor mij wel. Het liefste zie ik u eerst in uw eigen omgeving.’

Ze stemde ermee in en gaf mij haar adres.

Een paar dagen later stond ik voor een groot wit gepleisterd huis. Strakke muren, strakke borders. Op de oprit de auto van de hovenier, die bezig was met een metershoge haag. Bij de enorme glazen voordeur zag ik nergens een bel. Net toen ik terug wilde lopen zag ik beweging achter het matglas.

'U had beter de intercom kunnen gebruiken, ik zag u nu toevallig,' was het eerste dat ze zei.
'Ja,' zei ik.

Mijn jas verdween in een garderobe die achter een deur verscholen was.
Toen een dubbele glazen deur, en we stonden in een galerij, blauwachtig verlicht. Aan de wanden reusachtige schilderijen. Aan de stijl was te zien uit welke periode ze stamden; de eerste moet rond vijftienhonderd zijn gemaakt. Aan het einde van de galerij was een lege plek.

We stonden stil. De vrouw wees.
'Hier komt mijn schilderij.'
'Mag ik even rondkijken?'
'Als u dat nodig vindt. Maar ik wil iets van nu.'
'Dat begrijp ik.’

Ik liep terug naar het begin van de galerij en bestudeerde de blik van de dames. Een enkele was samen met een kind vereeuwigd. Het waren voorouders, dat was onmiskenbaar. Er was iets in de blik dat ze allemaal gemeen hadden.

Dat had deze vrouw ook.

'Deze galerij hebben mijn echtgenoot en ik zo laten ontwerpen, speciaal voor de schilderijen.'
'O ja,' zei ik.

In de salon onderhandelden we over de prijs en over de wijze waarop ze  afgebeeld zou worden. Ik maakte wat foto's en zag weinig dat als 
achtergrond kon dienen. De grote, bijna allemaal witte meubels overheersten de ruimte. Aan de wand een aantal verantwoorde moderne schilderijen.

Ik schilder niet graag mensen. Ik accepteerde de opdracht omdat ik wilde weten of ik die blik kon vangen.

Drie maanden lijkt veel, maar met de droogtijden en de maat van het doek is het een flinke klus.

Drie maanden later stond de vrouw er. De blik in haar ogen was precies die van haar en haar voorouders.

Op het afgesproken tijdstip kwam ze kijken. Ze bleef stilstaan voor het doek.

'Dit ben ik niet. Hier betaal ik niet voor.’

Ik kon niet anders dan dat accepteren. We hadden afgesproken dat zij tevreden moest zijn.

Een paar dagen later kwam een bezorger een pakket brengen. Hij zette het
neer en keek naar het schilderij dat nog op de ezel stond.

'Jemig, de poen straalt ervan af.'

⁘

 

NIET MIJN BOORMACHINE

'Ik was vandaag bezig in de schuur en daar zie ik de boormachine liggen.'
'Dat kan in een schuur.'
'Nee, ik bedoel jouw boormachine.'
'Ja?'
'Ik schaam me dood dat ik hem niet terug heb gegeven.'
'Wat heb je niet teruggegeven?'
'Nou, de boormachine natuurlijk.'
'Aan wie heb je die niet teruggegeven?'
'Aan jou natuurlijk.'
'Dat klopt niet.'
'Natuurlijk klopt dat niet, dat weet ik zelf ook wel, ik zei al dat ik me dood schaam.'
'Waarom kom je dan bij mij als je weet dat het niet klopt?'
'Wat moet ik er anders mee?'
'Ik heb geen kringloopwinkel of zo.'
'Ik snap jou niet. Hier is je boormachine terug en duizendmaal excuus, ik
weet dat het niet klopt.’

Even later stond ik met een boormachine in mijn hand.

⁘

 

MOEDER

Annet zet de vuile sneakers op de gang. Ze verzamelt de kleding die door de kamer verspreid ligt en sorteert de was. Ze verschoont het bed. De cavia liep vrij rond en had aan een snoer geknabbeld; ze heeft hem gevangen en geeft hem een nieuwe strolaag en een bakje eten. De boeken op
het bureau legt ze op een stapel. Het wiskundeboek bedekt een schunnig
tijdschrift.

Dan dweilt ze de vloer. De aangebroken zak chips gooit ze weg. Daardoor vliegen de chips over de natte vloer. Ze raapt ze op en dweilt opnieuw.

Op dat moment komt haar zestienjarige zoon thuis. Hij komt de kamer binnen waar zij net klaar is. Met vuile schoenen loopt hij naar zijn bureau.

Ze kijkt hem aan. Hij lacht naar haar. Zij lacht terug en verlaat de kamer. 

⁘